Hoe gaan Jenaplanscholen om met dyslexie?

De Jenaplan Vraagbaak

Regelmatig krijgt de NJPV vragen van studenten of stamgroepleiders die hun meesterstuk schrijven. Dat is vaak ook voor onszelf een mooie gelegenheid om eens terug te bladeren in de literatuur of een expert uit het veld te raadplegen. Dit keer vraagt pabo-studente Famke: gaan jenaplanscholen anders om met dyslexie dan reguliere scholen?
Door Geert Bors, Marieke Lang

Vraag: Gaan jenaplanscholen anders om met dyslexie dan reguliere scholen?


Beste NJPV,

Voor mijn pabostudie aan de HAN werk ik aan een onderzoek met als hoofdvraag: hoe gaan de traditionele vernieuwers, als het Jenaplan, om met dyslexie? Momenteel loop ik stage op een jenaplanschool, waar ik al informatie verzameld heb. Op jullie site kon ik zo snel niet veel vinden, maar om mijn onderzoek nog concreter te maken wil ik graag jenaplanbreed de vragen stellen:

· Welke stappen doorloopt een jenaplanschool bij een leerling die dyslexie mogelijk heeft? Is hier een protocol voor?
· Wanneer een leerling gediagnostiseerd is met dyslexie, wat wordt er ingezet voor die leerling?
· Is er onderscheid tussen hoe een jenaplanonderwijs school omgaat met dyslexie in tegenstelling tot een reguliere basisschool?

Hartelijke groeten en bij voorbaat dank, Famke van Wissen

Antwoord: Dyslexie is een klinische diagnose; Jenaplan biedt veel pedagogisch-didactische ondersteuning bij lezen, spellen en schrijven
 

Beste Famke,

Dank voor je vragen. Het klopt dat er geen officieel Jenaplan-protocol is voor de omgang met dyslexie. Ik heb literatuur nagezocht en heb een gesprek gehad met Marieke Lang, ib’er op jenaplanschool De Kleine Planeet in Deventer. Je laatste vraag wil ik het meest centraal zetten:

Is er onderscheid tussen hoe een jenaplanonderwijs school omgaat met dyslexie in tegenstelling tot een reguliere basisschool?

Ja en nee. Allereerst de ‘nee’: dyslexie behoort, als neurologisch of neuropsychologisch probleem met het niet goed functioneren van o.a. fonologische taalverwerking, tot de klinische diagnostiek. Dat betekent dat er geen Jenaplan-specifiek (pedagogisch/didactisch/onderwijskundig) protocol bestaat om met dyslexie als klinische diagnose om te gaan.

Veel jenaplanscholen hanteren dan ook het landelijke protocol ‘leesproblemen en dyslexie’. Sommige Jenaplanscholen hebben dat uitgebreid uitgewerkt voor zichzelf, zie bijvoorbeeld Jenaplanschool Witte Vrouwen: je leest er over de verschillende zorgniveaus en mogelijke interventies. Via het landelijke protocol ontdekt de school, als nodig in samenwerking met zorgpartners, welke routes er te bewandelen zijn voor kinderen die – in brede zin – problemen hebben met lezen, spellen en schrijven. Dat kan velerlei oorzaken hebben, die elk eigen oplossingen kennen: lang niet elke vertraging of hapering in het leren lezen leidt tot de diagnose dyslexie.

Het aantal kinderen dat traag op gang komt met lezen, spellen en/of schrijven, of voor wie het een moeilijke activiteit blijft, zijn een veelvoud van het aantal dyslexie-diagnoses. Bij die kinderen liggen er andere (hoofd)oorzaken ten grondslag aan hun zwakke of vertraagde leesvaardigheid, bijvoorbeeld sociaal-maatschappelijke omstandigheden omdat ze uit een taalarm gezin komen. Zij krijgen op andere, passende manieren ondersteuning.

Nu de ‘ja’: Peter Petersen, de stichter van het Jenaplanonderwijs, had wel degelijk goede, onderscheidende motieven om een ander schooltype in te richten dan het reguliere onderwijs uit zijn tijd. Zijn visie op onderwijs en opvoeding maakt dat jenaplanonderwijs andere (aanvullende) doelen nastreeft – veel ervan zijn gelegen in het vormen van een gemeenschap en het ‘leren samenleven’.

Hij hekelde vooral het jaarklassysteem, waarin kinderen ieder jaar weer met dezelfde groep leeftijdsgenootjes doorgaan. Van jaar tot jaar zijn het dan dezelfde kinderen die keihard moeten rennen om taal, rekenen of andere curriculumonderdelen bij te houden, terwijl andere kinderen zich vervelen omdat het onderwijs voor hen veel te langzaam gaat. Laten we zeggen dat 30 procent van de kinderen dan altijd te kort komt: het gemiddelde onderwijs is voor hen of te traag of te snel.

Met de inrichting van de stamgroep, liefst driejarig, organiseerde Petersen diversiteit in zijn groepen: jongste, middelste en oudste kinderen leren van en met elkaar. Oudsten (of bijvoorbeeld een snelle middelste of zelfs jongste) kunnen bijvoorbeeld als ‘meesters’ jongere kinderen helpen met rekenwerk of, zoals in jouw geval, met lezen. Bovendien wissel je als kind ieder jaar van rol: je blijft geen jongste, maar wordt zelf middelste en oudste. Ben je nu bijvoorbeeld als middelste een sterke samenwerker, voetballer of rekenaar, maar gaat lezen of spellen je nog niet zo goed af, dan kun je al eens meekijken bij het rekenwerk van oudere kinderen en hardloopwedstijdjes met de oudsten doen, terwijl je de taalinstructies van jongere kinderen volgt. Zo krijg je tijd om te rijpen en word je niet de hele tijd ingeschaald ten opzichte van een gemiddelde lijn.

Ook zetten veel Jenaplanscholen pedagogisch-didactisch veel van het leesonderwijs in op aspecten als leesplezier en leesbeleving. Uiteraard volgt iedere stamgroepleider ook de technische leesvaardigheid van de kinderen: als leerkracht merk je wanneer een kind stevig afwijkt van je verwachtingen. Bij uitval zijn er allerlei programma’s en werkvormen als connect lezen, bouwlezen – allemaal vormen die wetenschappelijk onderbouwd zijn – om kinderen te stimuleren.

Wat een stamgroepleider vaak zal doen, uitgaande van de nadruk op motivatie, plezier en leesbeleving, is teksten zoeken die passen bij het thema waarmee in die periode gewerkt wordt of specifieke interesses van het kind. Veel gaat over goed blijven kijken naar ieder kind en zijn ontwikkeling, met vertrouwen en bemoediging kinderen te benaderen, en niet bang zijn – tegen de haastige resultaatgerichte tijd in – om een kind de tijd gunnen. Dat alles uiteraard binnen de marges uiteraard waar frustratie, demotivatie en een opmerkelijk gebrek aan progressie aanleiding kunnen zijn om andere, diagnostischere stappen uit het klinische protocol te gaan volgen.

De spaarzame artikelen die je vindt op de site van de NJPV over dyslexie onderschrijven deze aanpak, die in zijn essentie al teruggaat op Peter Petersen, een eeuw geleden, die ernaar streefde om de hele samenleving in de school gerepresenteerd te zien en om iedereen zo veel mogelijk een plek te gunnen in de stamgroep als leefgemeenschap.

We zijn heel benieuwd hoe je onderzoek gaat verlopen en naar de resultaten. Wil je ons op de hoogte houden?

Hartelijke groet, ook van Marieke,
Geert Bors

0 reacties

Reageer op dit artikel

Direct contact met de redactie?

Geert Bors, hoofdredacteur Mensenkinderen: mensenkinderen@njpv.nl