Bij het afscheid van Rien van den Heuvel

Interview: ‘Je wordt hier opgenomen in een cultuur waarin je je samen ontwikkelt’

Vrijdag 16 januari bereikte ons het droevige bericht dat Rien van den Heuvel na een kort ziekbed is overleden. We denken aan Rien als een zachtmoedig en doortastend mens, iemand die ontzettend veel betekend heeft voor het jenaplanonderwijs – in de eerste plaats rondom Rotterdam, waar hij een echte scholenbouwer en een mentor voor velen was, maar ook op het nationale en internationale jenaplantoneel. In 2019, bij zijn formele afscheid van de Dr. Schaepmanschool, hield Mensenkinderen een groot interview met Rien, waarbij ook een aantal prominente jenaplanners terugkeken op hun vormende jaren op Riens scholen.
Door Geert Bors

Weg- en waterbouwer. Dat leek hem óók een interessante loopbaan, toen hij voor zijn studiekeuze stond. Maar Rien van den Heuvel werd onderwijzer, teamleider en uiteindelijk… scholenbouwer. Het Jenaplan ontdekte hij begin jaren ’80, toen hij en zijn team een aantal Peter Petersen-elementen zelf hadden uitgevonden: “Onze onderwijsidealen kregen opeens een theoretische ondergrond.” Met kalm en optimistisch gemoed – dichtbij zichzelf blijvend – maakte hij van een onrustig en ruziënd Dr. Schaepmanschooltje in dertig jaar een bloeiende school met drie stevige locaties.

Als nieuwkomer in de wereld van het Jenaplan leerde ik Rien van den Heuvel kennen bij een workshop tijdens een NJPV-conferentie. Het was een week voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen en Rien week kort uit van zijn verhaal over schoolleiderschap en een bevlogen team naar politieke sferen, toen hij een dia toonde waarop stond: ‘Stopping Trump is a short-term solution. The long-term solution – and it will be more difficult – is fixing the educational system that has created so many people ignorant enough to vote for Trump.’

Hij had toen zijn 25-jarig jubileum als schoolleider van de Dr. Schaepmanschool al gehad – jaren waarin onder zijn leiding de Schaepman was uitgebreid van één onrustig schooltje naar drie succesvolle locaties. Scholen met een optimistisch en verbindend elan, en een robuuste uitstraling, zowel in het Rotterdamse als op het landelijke jenaplantoneel. Dat iemand zou kunnen kiezen voor het leiderschap van Trump moet Rien wezensvreemd voorgekomen zijn; een week later was Trump toch president elect.

In juli 2019 nam hij afscheid van ‘zijn’ Dr. Schaepmanschool. Er werd een straatnaambordje onthuld: Rien van den Heuvelweg. Daarboven: schoolleider 1989-2019. Maar ‘weg’ is hij nog niet helemaal. Op een tropische augustuswoensdag, terwijl beneden het team van de locatie Evertsenstraat alles in gereedheid brengt voor de start van een nieuw schooljaar, spreekt Rien – een kan koud muntwater in de aanslag – over de koers van Jenaplan en dertig jaar schoolleiderschap.

Herinner jij je die Trumpdia? Hoe zie jij dat het onderwijs zich de laatste jaren te verhouden heeft tot de samenleving?

“Ja, die herinner ik me. Wat ik zie als een grote verandering, is dat veel mensen de wereld als steeds ingewikkelder ervaren. Mensen willen graag houvast. Zekerheden. En dat leggen ze neer bij maatschappelijke instituten als de school: veel ouders, bestuurders, overheden willen allemaal dat het glad geregeld is en dat er niets fout kan gaan. Maar zo zit de wereld niet in elkaar: je kunt niet alles voorkomen en uitsluiten. Ik denk dat daarmee het onderwijs ingewikkelder is geworden om in te werken.”

En hoe pareer jij dat?

“Bij mij is het startpunt altijd geweest: ga uit van het goede in de mens. Peter Petersen legt dat ook al in de intenties onder zijn jenaplanconcept: begin elkaar open te ontmoeten. Ga ervan uit dat iedereen het beste voor heeft en er wat moois van wil maken. Verdraagzaamheid, het uitstellen van oordelen, het zoeken naar de kracht in mensen. Soms is daarvoor nodig dat je juist durft af te wijken van alle regelgeving. Zo werkte ik al als leerkracht in de jaren ’70. Zo ervoer ik het schoolleiderschap ook: als je bij mij komt werken, krijg je alle ruimte, mag je fouten maken. Maar we doen het samen en open naar elkaar. Geen verborgen agenda’s. ”

Het klinkt alsof jij onderwijsmens móest worden.

“Dat trok me inderdaad al vroeg. Het was mijn eerste ingeving. Maar ten tijde van mijn studiekeuze twijfelde ik of ik niet de technische kant op zou gaan. Weg- en waterbouw vond ik ooit heel aantrekkelijk. Ik was als kind altijd aan het bouwen en onderzoeken, spoorlijnen en wegen op verhogingen, bruggen, viaducten. Toen ik dat op de havo expliciet maakte en iemand zei: ‘Maar jij ben geknipt voor het onderwijs’. Uit de beroepskeuzetest bleek dat ook.”

Hoe moet ik me de student Rien voorstellen?

“Ik deed de Pedagogische Academie van 1970 tot 1973. Het was de periode van de democratisering in het hoger onderwijs. We zaten regelmatig in het café de stand van de wereld te bespreken. We hielden sit-instakingen in het centrum van Rotterdam. Ik weet niet eens meer waarom, maar we waren het altijd wel ergens niet mee eens. Ik herinner me vooral een grote verbondenheid met elkaar – we maakten samen muziek, cabaret, speelden toneel.”

Kwam je aan studeren toe?

“Zeker wel. Ik hield ervan om er op stagescholen écht in te gaan. Om grote projecten te starten met mijn groep. Daar kreeg ik ook alle ruimte voor. Ooit heb ik van zo’n Elektro-spel – twee van die elektrodes die je in het goede vakje bij elkaar moet brengen en dan licht er een lampje op – een primitieve computer gemaakt. Van hout, je kon echt een vragenkaartje in het kastje stoppen en de vraag beantwoorden door twee elektroden op de goede plek te steken. Daar werd op de PA heel enthousiast op gereageerd. De kinderen zelf hadden na een poosje wel door: ‘Ah, gaatje hier, dan is dít het goede antwoord’.”

Jouw studietijd was in de jaren van de grote politieke idealen. Hoorde je ook veel over vernieuwingsstromingen in het onderwijs?

“Nee, ik heb daar wel eventjes iets over gehoord in mijn opleiding, maar heel terzijde. We waren bezig met het milieu, met het boek Grenzen aan de groei, van de Club van Rome, die zich bezighield met de ecologische druk op de planeet als er straks vijf miljard mensen zouden zijn. D’66 was net ontstaan en had spannende ideeën. Er was het boek Wie is van hout? van Jan Foudraine, die de psyche van de mens heel anders benaderde, en pleitte voor minder medicijnen en meer gesprek in de psychiatrie. Dat boeide ons wel.”

Je bent vóór je dertig jaar op de Dr. Schaepmanschool ook al elf jaar schoolleider geweest in Rotterdam-Zuid. Dan blijven er maar een paar jaar voor het pedagogische handwerk van het leraarschap.

“En na mijn studie ben ik ook nog anderhalf jaar in militaire dienst geweest: met Leopardtanks bewaakten wij in Duitsland de noordelijke grenzen. Maar tegelijk heb ik heel lang mijn schoolleiderschap gecombineerd met leerkracht zijn. Ik begon als leerkracht in Rotterdam Schiebroek, op een school waar ik de enige man was – de jonge hond tussen een aantal wat oudere dames. Ik begon meteen een documentatiecentrum op te zetten, ik ging een kerstmusical doen, ik richtte een handenarbeidlokaal in. Na school gaf ik kinderen tafeltenniscursussen. Ouderparticipatie bestond er nog niet, dus ik ging veel met ouders doen. Ik was een vrij populaire leerkracht geworden en na drie jaar werd ik gevraagd als schoolleider en meester van klas 6 op de Meester Baarsschool in Rotterdam-Zuid. Te midden van die enthousiaste, ondernemende club jonge mensen noemde ik mezelf liever ‘teamleider’.”

"‘Rien, wat jij vertelt lijkt op jenaplanonderwijs.’ Ik ben me erin gaan verdiepen en verdraaid, dát was het!"

Het woord ‘Jenaplan’ is nog steeds niet gevallen…

“Dat komt nu: de Wet op het Basisonderwijs begon begin jaren ’80 op te doemen – kleuter- en lagere school zouden vanaf 1985 samen opgaan in de basisschool. Wij gingen eens goed kijken naar de richtlijnen. Een belangrijke daarvan: kinderen moeten een ononderbroken leerproces doormaken. Nou, dachten wij, als we écht ononderbroken willen werken, dan moet je geen klassen meer hebben. Dan heb je een structuur nodig, waarin kinderen op een heel vanzelfsprekende manier kunnen doorgroeien. We begonnen te denken over heterogene groepen. Met kringgesprekken waren we ook al begonnen – dat was heel nieuw in het onderwijs. Het was een onderwijsbegeleider van de CED-groep, die me op een dag zei: ‘Rien, wat jij vertelt lijkt op jenaplanonderwijs.’ Ik ben me erin gaan verdiepen en verdraaid, dát was het! Dat was het moment om als jenaplanner verder door het leven te gaan. Onze onderwijsidealen kregen opeens een theoretische ondergrond.”

Mooi dat jullie als team zo doortastend dergelijke grote ideeën uitwerkten.

“Het was een klein team, acht mensen. In die tijd werkte je fulltime. Je was altijd met elkaar aanwezig. Daardoor kende je elkaar goed en kon je flink doorpakken. Daar komt bij dat de Meester Baars een school was die openstond voor vernieuwing, ook vanuit de ouders, die enorm betrokken waren: aan de overkant van de school hadden ouders de sleutels en gingen er dingen regelen als er iets aan de hand was. Ook kregen we veel ruimte van het bestuur: ‘Rien, ga je gang. Als er problemen zijn, wel laten weten, hè?’ Ze gaven me veel vertrouwen en verlangden vooral oprechtheid. Tja, dat vertrouwen wil je dan waard zijn. Dat heb ik doorvertaald naar de kinderen en de teams: je krijgt mijn vertrouwen, maar dan reken ik ook op je.”

Ik had me nooit gerealiseerd dat de Wet op het Basisonderwijs zo natuurlijk ingevuld kon worden met zoiets als de stamgroep.

“Er was wel meer beleid in die richting. Toen ik net begonnen was als leraar, tweede helft jaren zeventig, maakte ik kennis met de ‘speelleerklassen’ – in Rotterdam was dat onderdeel van een project van Jan Grandia, die een voorvechter was voor kansrijk onderwijs aan kinderen uit achtergestelde milieus. Er werden tonnen besteed om lokalen uit te bouwen, zodat er ook voor kinderen in de eerste jaren van de lagere school meer mogelijkheid bleef om spelend hun weg te vinden. Het opheffen van de splitsing tussen kleuters en lagere school door de Wet op het Basisonderwijs gaf daar ook mogelijkheden toe. Maar vanaf dat de basisschool er was, is er een beweging ontstaan die nooit bedoeld was. In plaats van een geleidelijker overgang naar het formeel leren, is het omgekeerde gebeurd: kleuters worden nu ook meer en meer getoetst naar leercriteria.”

"Het bestuur zei: ga je gang. Als er problemen zijn, wel laten weten, hè?’ Dat vertrouwen wil je waarmaken."

Is de Meester Baarsschool, met die jenaplanachtige ideeën, ook een jenaplanschool geworden?

“We waren goed op weg, toen het schoolbestuur kwam met het verzoek aan mij om over te stappen naar de Dr. Schaepmanschool. Dat was al een jenaplanschool vanaf 1967, een van de eerste in Nederland. Het ging op dat moment niet goed met de Schaepmanschool – er was veel onrust, ontevredenheid, spanningen tussen team en ouders en ouders onderling. Het was de tijd van de verplichtstelling van de medezeggenschapsraad, en dat gaf spanningen tussen de toenmalige ouderraad en de formeel wettelijke MR. Het kleine schooltje had zijn leerlingenaantal meer en meer zien dalen. Het bestuur vroeg mij om er directeur te worden, ook omdat ik kennis van Jenaplan had. Naar de Meester Baarsschool ging een teamlid van de Schaepman om die school tot een jenaplanschool te ontwikkelen.”

Hoe pakte je het aan?

“Ik kreeg er de bovenbouw, als stamgroepleider, en had ambulante tijd als directeur. Ik heb geprobeerd dicht bij mezelf te blijven en goed richting te geven aan alle spanningen die er heersten. Het was een intense tijd – vergaderen tot het nachtelijk uur, ’s morgens wel weer fris voor een groep kinderen.”

Een team, ouders en kinderen aan je kant krijgen door ‘dicht bij jezelf te blijven’. Leg uit.

“Het ging erom dat ik er stond, dat ik er was. Voor iedereen. Een luisterend oor. Dat heb ik geprobeerd door authentiek te zijn – ik bleef consequent een schoolvisie en een persoonlijke houding uitdragen van rust, vertrouwen, openheid, eerlijkheid. Het heeft een paar jaar geduurd voor iedereen daarin mee kon gaan. Er is zelfs ooit een nare brief van twaalf kantjes naar de Inspectie van het Onderwijs gegaan over mij, over hoe ik de school aanstuurde – een brief die ik pas onder ogen kreeg, toen de Inspectie hem me liet inzien. Zo waren de mensen gewoon met elkaar om te gaan: vanuit wantrouwen, achter elkaars rug om. Maar je moet het niet groter maken dan het was: er was ook een aanzienlijk aantal ouders dat me steunden, dat volmondig meeging.”

Ik kan me voorstellen dat die boodschap van rust en vertrouwen eerder begrepen werd door de kinderen in je groep dan door de volwassenen op het plein.

“Ja, dat zeg je mooi: zo ging het. De kinderen gingen eerder met me mee dan de ouders. En omdat de kinderen zich fijn voelden op school, begonnen ouders te denken dat het dan wel goed zat.”

Jenaplan is een interpreteerbaar streefmodel. Hoe zou jij de kleur en klank van het Jenaplan van de Schaepman omschrijven?

“Behalve het ‘samen’ – dat zich uit in wederzijds respect, vertrouwen – heerst hier een positieve houding: we gaan het met elkaar oplossen, we krijgen het voor elkaar.”

Die sfeer leidde tot een betere naam in Barendrecht en een stijgend leerlingenaantal. De lokalen die de bso in gebruik had, kreeg de school terug. Daarna volgden drie noodlokalen op het schoolterrein. Toen er niet veel later nóg twee lokalen te kort waren, kreeg Rien een oud schooltje-met-sloopbestemming op de Evertsenstraat toegewezen, waar de Schaepman haar tweede vestiging opende, met twaalf kinderen die dichterbij de nieuwe locatie woonden. Ook de locatie Evertsenstraat groeide al snel enorm.

De stijgende toestroom van kinderen uit het belendende Ridderkerk maakte dat de RVKO, de grote scholenvereniging waaronder de Schaepman resideert, een zieltogend Ridderkerks schooltje ter beschikking stelde. Dat was het begin van Schaepmanlocatie 3. De omwending naar Jenaplan leidde ook hier eerst tot een verdere leegloop: van de zestig kinderen werden er dertig van school gehaald. Maar na een jaar stond de teller op tachtig en inmiddels zitten er 240 kinderen en kijkt de school uit naar een tweede locatie in Ridderkerk.

De drie Schaepmanlocaties trekken bewust kiezende middel- tot hoogopgeleide ouders, ook van verder weg, maar even zoveel buurtkinderen, van wie de ouders overtuigd raken door de goede verhalen die rondgaan over het sociale, het zelfverantwoordelijke, het optimisme, het samenwerken op de school. Inmiddels treft Rien de kinderen van oud-leerlingen in de stamgroepen: “Die ouders zeggen dan: ‘wij hebben hier zo’n mooie tijd gehad. Dat gunnen we onze kinderen ook’.”

Bijzondere complimenten zijn dat.

“Ja, we zijn ver weg geraakt van het eerdere imago: ‘Gezellig hoor, maar wat léér je daar dan?’ Ik denk dat dat beeld van optimisme, het sociale, samenwerken, leren eigen verantwoordelijkheid te dragen voor veel jenaplanscholen geldt. Daar is het Jenaplan sterk in. Ik zag dat een paar jaar geleden op een reünie van onze school. De deelnemers – destijds zo’n beetje 20-25 – spraken zo mooi over hun schooltijd, dat ik naar boven ben gesneld, vlug wat vragen op een A4 heb gezet en gevraagd heb of ze die alsjeblieft wilden beantwoorden: wat heeft deze school betekend? Hoe kijk je terug? Het waren mensen, aan het begin van hun loopbaan, die echt iets van hun onderwijscarrière gemaakt hadden. Trots waren op wie ze nu zijn. En dat ook toeschreven aan hun start hier. Dat word ik blij van.”

De Inspectie is al even complimenteus, begreep ik.

“Ja. Die wilde een paar jaar geleden dat we het predicaat ‘excellente school’ aanvroegen. Dat hebben we ook gekregen. Een mooi moment voor al die mensen die hier al zo lang en zo hard werken. Dat ‘excellente’ ging niet om de cognitieve opbrengsten. Die zijn zoals ze horen te zijn – leren hoort op niveau te zijn, klaar uit. Maar dat is niet het hoogste doel. Het ging en gaat er hier om dat als je binnen stapt, je met elkaar gaat ontwikkelen. Ouders, kinderen, teamleden, bezoekers – iedereen leert hier. Je wordt opgenomen in een cultuur waarin je samen ontwikkelt. Wij hebben daarom ons aspect van excellentie ‘Het lerend systeem van de Dr. Schaepmanschool’ genoemd, al hadden de Inspectie en de jury wat moeite met die frase.”

Hoe ziet die ‘cultuur van je ontwikkelen’ er concreet uit?

“Op stamgroepavonden nemen we ouders mee in een stuk theorie en laten we zien hoe we dat vertalen naar de stamgroep. Zo hebben we altijd gewerkt, ook met collega’s die hier komen werken. Iedere nieuwe stamgroepleider krijgt een coach, een ondersteuner toegewezen. En dan komen we op vaste momenten bij elkaar, waarop je laat zien hoe jij je onderwijs vormgeeft. We geven workshops aan elkaar; een andere keer pakken we de basisprincipes erbij en gaan we na waar je die ziet terugkomen in je groep, in de school, en hoe je het zou willen terugzien. Als je elkaar vertelt over je onderwijs, je visie, de vormen, leert iedereen steeds beter het verhaal van de school en van Jenaplan uitleggen. Ook aan ouders, die daarmee ook steeds meer in handen krijgen om te vertellen waarom het hier gebeurt zoals het gebeurt.”

En leidde al die jaren van zo bewust samen bouwen, zo studeren op het concept, ook tot vernieuwing van Peter Petersens ideeën?

“De stamgroep is van enorme waarde. En het wereldoriënterende deel boeit ons nog altijd – zeker als je samen bouwt. Dan heb je het ook over professionalisering, een lerende organisatie willen zijn. En in de laatste jaren: het leren zichtbaar maken. Ik denk dat Jenaplan het antwoord op de problemen van deze tijd is, mits je het goed vormgeeft. In jenaplanonderwijs gaat het om het samen: je wilt een stamgroep vormen met elkaar, je wilt meer van elkaar weten. Hoe meer je van elkaar weet, hoe beter je de ander begrijpt en hoe meer respect en acceptatie er is voor verschillen. Het is allemaal niet zo ingewikkeld: je moet mens zijn en met elkaar optrekken. Dat doe je in je stamgroep en in de ‘stamgroep’, die de hele schoolgemeenschap samen is.”

Hoe is het om hier op school te zijn, eind augustus, na je grote afscheid in juli?

“Het afscheid was geweldig. Op iedere locatie werd ik een dag gefêteerd door de kinderen, elke bouw had iets voorbereid. Daarna bezorgden de collega’s me nog een grandioze afscheidsdag, onvergetelijk! Tot de zomer heb ik hard gewerkt – net als anders. Daarna ben ik op vakantie gegaan – net als anders. Dit zijn eigenlijk de eerste dagen dat ik ervaar dat ik hier niets meer hoef te zijn. ‘Hé, wat doe jij nou hier?’, zeiden collega’s toen ik vanmiddag binnenkwam. Nu zal ik het pas merken. Ik voel wel kleine gedachtes opkomen: ‘Ze zullen toch wel dááraan denken? Ze hebben dít toch wel in de gaten?’ Nee, Rien, loslaten…’ Ik ben heel blij dat twee fantastische collega’s van binnenuit de leiding overnemen. Zij zullen dat doen met behoud van de Schaepmancultuur, maar wel op hun geheel eigen wijze. En zo moet het ook.”

Maar het Jenaplan is jou vast niet meteen helemaal kwijt?

“Ik blijf bij het JAS nascholingen verzorgen. Ik ben nog KiVa-trainer. En het schoolbestuur heeft me gevraagd om jonge directeuren te helpen en steunen: op 66 scholen is er altijd wel ergens een probleem. Daar ben ik al mee begonnen – het is bijzonder te ervaren hoe je met kleine hints mensen al op een goed spoor kunt helpen. En het vierde is: Japan. We hebben hier op de Schaepman al vijftien jaar Japanse bezoekers, er zijn documentaires opgenomen voor de Japanse televisie. Bij het JAS leidden we al Japanse stamgroepleiders op – vaak doen die ‘Jenaplan’ in hun eigen klas in een verder reguliere school. Ik ben nu bezig met het opleiden van Japanse leidinggevenden: als we de leidinggevenden goed bereiken, bereiken we héle scholen. Volgende week heb ik hier een vijfdaagse cursus voor Japanse leidinggevenden en bestuurders.”

"Ga niet in de verdediging: wees trots op de school die je neerzet en straal dat uit."

Wat wil jij meegeven aan Jenaplanners in Nederland en Vlaanderen?

“Blijf dichtbij jezelf, blijf achter de jenaplanprincipes staan. Die zijn goed. Mensen nemen er delen van over, maar het Jenaplan is alomvattend. Probeer ook niet in de verdediging te gaan: wees trots op de school die je neerzet en straal dat uit. Zo heb ik Inspectiebezoeken ook altijd een feestje gevonden. Het is jouw kans om mensen uit te leggen hoe jullie werken. Maar neem dan wel het heft in handen: vertel wat je gaat doen, hoe je het doet, waar je nog aan het ontwikkelen bent. ‘Hier en hier sta en ga ik voor, maar dit vind ik nog moeilijk’. Daar heeft de Inspectie respect en bewondering voor.”

Dan helpt het wel als je ergens lang blijft, zoals jij als schoolleider. Is het hedendaagse carrière-ideaal van frequent van baan wisselen een risico voor het onderwijs en voor een vernieuwingsconcept als Jenaplan in het bijzonder?

“Ik heb ook best twijfelmomenten gehad, hoor: ga ik verder? Ga ik ergens anders heen? Maar de Schaepmanschool is nooit saai geweest. Met het idee van een lerende organisatie was er altijd ontwikkeling. En ik prijs me rijk met de mensen die ik om me heen heb gehad. Te snel wisselen van school, als schoolleider… tja, ik denk bij een aantal scholen te zien dat het een knauw geeft in de schoolontwikkeling, als een directeur er maar een paar jaar is. Als je wilt werken vanuit visie, móet je tijd nemen.”

Welke jenaplanelementen passen bij uitstek in dit tijdvak?

“Ik neig naar de werkvormen: in gesprek gaan met elkaar. Stil zijn met elkaar. Samen met elkaar verwonderen. Het gaat er vooral om de relatie aan te gaan met kinderen. Dat is onze kracht: wij zien elkaar, wij weten van elkaar, wij ontmoeten elkaar. Kinderen hebben daar behoefte aan – collega’s trouwens ook: ‘Ik ben welkom op mijn school. Ik voel me er thuis. De juf of meester staat er niet om zich door een methode te worstelen, maar om met mij en de anderen een fijne dag vorm te geven, waarin wij met elkaar leren.”

Je hebt gesproken over een positieve houding als wezenskenmerk van de Schaepmanschool. Dat brengt die Trumpdia, waarmee we begonnen, in herinnering.

“Ja. Het is belangrijk om hoopvol te zijn. In mijn eerste jaren op de Meester Baarsschool was net het SchoolTV Weekjournaal in zwang geraakt. Op vrijdag was de uitzending en daarin werden best grote problemen aangekaart. Ik vond het belangrijk dat kinderen kennis namen van de besproken wereldproblemen, en dat deed ik onversneden. Tot ik een gesprek had met een moeder van vijf kinderen. Haar man was blind – ze hadden het niet makkelijk, maar het was een fantastisch gezin. Ze vroeg waarom we keken. En ik vertelde dat ik kinderen deelgenoot wilde maken van de actualiteit. ‘Ja, dat is goed, maar geeft ze altijd mee dat er oplossingen komen, dat er hoop is’, antwoordde de moeder. Dat heb ik vastgehouden: laten we het niet te somber maken voor kinderen. De wereld is niet mooi en soms heel ingewikkeld, maar geef kinderen vertrouwen mee en laat ze niet bij de pakken neerzitten.”

"Bij overleggen waren het de mannetjes met het hoogste woord die de toon bepaalden. Ik dacht: ben ik hier dan ongeschikt voor? Doe ik het niet goed? Totdat ik besefte: jij doet het op jouw andere, stillere manier en haalt kracht uit het dicht bij jezelf blijven. En daar komt dan een mooie school uit.”

Dat maakt een leraar tot een belangrijk persoon in het leven van een kind – een realistische, maar invoelende en hoopvolle gids te durven zijn.

“Ja, als je kijkt naar sommige politieke leiders van nu, kun je je afvragen of die het beste met ons allemaal voorhebben. Achteraf kan ik zeggen dat een richtinggever van mijn zijn, mijn leraarschap en leiderschap een artikel uit JSW uit 1990 geweest. Het heet ‘Mijn meester’, van Dorus Gerritse. Het gaat over de meester van de auteur, in wiens handelen veel jenaplanaspecten te herkennen zijn. De relatie aangaan, de kinderen echt zien, verwonderen, leven met je klas. Wereloriënterend bezig zijn. Ik las het toen ik net een jaar op de Schaepmanschool zat en soms hevig twijfelde. Bij overleggen waren het de mannetjes met het hoogste woord die de toon bepaalden. Ik dacht: ben ik hier dan ongeschikt voor? Doe ik het niet goed? Dat was best een worsteling, totdat je uit de theorie en van andere voorbeeldleraren bevestiging krijgt: jij doet het op jouw andere, stillere manier en haalt kracht uit het dicht bij jezelf blijven. En daar komt dan een mooie school uit.”

Nou hoor je het eens van een ander (1): Ingrid Nagtzaam

"Ik kwam van een school met een heel autoritaire schoolleider, toen ik op de Dr. Schaepmanschool ging werken. Op iemand als Rien was ik helemaal niet ingesteld. Dus toen ik het idee opvatte om de muziekles buiten te doen, liep ik bij Rien binnen en vroeg hem of dat mocht. “Een muziekles buiten?”, vroeg hij. O-oh, dacht ik: helemaal mis, wat heb ik nou gevraagd? Maar hij vervolgde: “Waarom kom je dat vragen? Ik denk dat jij daar goede overwegingen voor hebt en dat prima zelf kunt beslissen.”

Zo was het altijd: als ik hem aansprak met welk ingewikkeld probleem ook, stelde hij een wedervraag en dan liep ik een minuut later naar buiten met het vrolijke besef dat ik het antwoord in mezelf gevonden had. Rien zei niet veel en als hij wat zei, was het vaak een ruimtescheppende vraag, een vraag waarmee hij een spiegel naar jou ophield, een vraag waarmee je zelf verantwoordelijkheid nam.

Op mijn eerste stamgroepavond vroeg Rien ons om de leerlijnen en leerdoelen voor het hele jaar uit te werken in een presentatie aan de ouders. Pas gaandeweg het jaar drong het tot me door dat ik dat misschien wel voor de ouders had gedaan, maar dat Rien het me vooral had laten doen om zélf de doelen helemaal in de vingers te krijgen: met een helder overzicht over mijn jaar kon ik pedagogische situaties herkennen en kon ik gaan spelen met de stof, de kinderen en de leerlijnen." (Ingrid werkte op de Schaepmanschool in de jaren 1995-1999)

Nou hoor je het eens van een ander (2): Marleen van der Krogt

"De Dr. Schaepmanschool had nét de locatie in Ridderkerk erbij gekregen. Het was een zieltogend schooltje met zestig leerlingen en zonder een veilig, laat staan een constructief leerklimaat – nogal een erfenis. Als kersvers afgestudeerde pabo’er, op zoek naar werk, kwam ik een week invallen in de oudste groep, vol met kinderen die allang niet meer naar school kwamen met de intentie om iets te leren. Oké, besefte ik meteen de eerste ochtend: deze week gaat niet om lesdoelen te halen, maar om deze club in het gareel te krijgen en het een beetje goed met elkaar te hebben. Dat deed ik. Samen haalden we de vrijdagmiddag.

Rien zat die week vaak een kamer of twee verderop, zijn benen op tafel, leunend bij het raam. Hij bekeek mij en het gebeuren allemaal eens rustig. Ik herinner me dat hij een ketting om had en zo’n overhemd met een Hawaii-print droeg. Even dacht ik: dit is vast zo’n versierderstype waarvoor jonge meiden op de Pabo gewaarschuwd worden. Maar dat was een foute inschatting: Rien had het beste met ons allemaal voor. Hij complimenteerde me met wat hij gezien had. Dat ik het doorzettingsvermogen en de gedrevenheid had om als jonge leerkracht in die groep te blijven staan. Ik kreeg een baan op de Schaepmanschool.

Ik kan wel zeggen dat Rien aan de basis heeft gestaan van mijn pedagogisch besef en dat hij me heeft laten zien hoe je kunt vertrouwen in de ontwikkeling van kinderen. Daar is mijn eigen pedagogisch leiderschap geboren." (Marleens tijd op de Schaepmanschool was van 1995 tot en met 2009)

Nou hoor je het eens van een ander (3): Marjon Clarijs

"De zoon van Rien zat in mijn klas. Toen we een leeskring hielden, waarin de jongen over zijn favoriete boek en ook van alles over zijn familie mocht vertellen, kwam Rien ook in de kring zitten. De kinderen waren verbaasd: “Waarom ben jíj hier in de kring? Jij bent toch… de baas van de school?” Klopt, maar ik ben óók vader, antwoordde Rien.

Die twee rollen kan Rien naadloos combineren – hij is beide met volle aandacht, maar je ziet zijn aanwezigheid en zijn engagement nergens benadrukt worden. Rien is iemand, die op de achtergrond een school runt. Terwijl het geen geringe taak is: drie, vier locaties verbinden kan alleen als je weet wat je doet en waarvoor je het doet. Het kan alleen als je iedereen in zijn waarde laat en samen mee op weg kunt nemen naar wat je wilt bereiken. Zonder dat je het door hebt, zet Rien de lijnen uit en verzamelt hij de mensen om zich heen die dat met hem kunnen doen.

Het is een mooie combinatie van stille kracht én weten wat je wilt. Als het bestuur hem de gelegenheid gaf een nieuwe locatie over te nemen, was hij duidelijk: “Prima, dat wil ik doen, maar alleen als ik er een jenaplanschool van mag maken.” Jenaplan is wat hij is." (Marjon werkte op de Schaepmanschool in de periode 1990-2002 en in het schooljaar 2007-2008)

1 reactie

  • och wat erg dat hij is overleden ik zit op de schaepmanschool

Reageer op dit artikel

Direct contact met de redactie?

Geert Bors, hoofdredacteur Mensenkinderen: mensenkinderen@njpv.nl