‘Stilte is meer dan het ontbreken van geluid’

Een drukke juf ontdekt de stilte

Hilde Paulsen vulde haar meesterstuk voor de jenaplanopleiding opmerkelijk in: ze schreef geen studieus werkstuk maar een verhalenbundel, met de prachttitel 'En ik zag dat ze stilte nodig hadden'. De term ‘stilte’ vormt daarin een samenballing van de ‘innerlijke grondvormen’, die Peter Petersen onderscheidt naast de bekende vier sociale basisactiviteiten. Hilde over de broodnodige verinnerlijkende activiteit van denken, schouwen, ervaren, verdiepen: “Petersen schrijft hoe de schooldag van gezwets en nonsens aan elkaar kan hangen. Ik herkende dat bij mezelf. Wanneer geef ik de stilte vrij baan?”
Door Geert Bors

Mensenkinderen Klassiekers. Je weet wat ze zeggen over papieren media: 's ochtends vers op de mat, 's avonds in de kattenbak. Dat is zonde van veel opmerkelijke, wijze, inspirerende, vrijwel tijdloze artikelen die dichtbij het hart van het Jenaplan komen. Vandaag uit het archief: het interview met Hilde Paulsen, uit het themanummer 'Stilte - Verinnerlijking als basisactiviteit' (jaargang 35, nummer 168, april 2020). 

Het is half februari 2020, en nog volstrekt ondenkbaar dat we een maand later ons onderwijs, onze horeca, onze kinderopvang tot stilstand zullen brengen. Vanaf morgen begint Hilde Paulsen aan een nieuwe extra klus. Nog even heeft ze gelegenheid voor een uitgebreid interview. Het is een dinsdagmiddag. Ik heb mijn kinderen net van school gehaald – melk voor hun neus, koekje mogen ze zelf pakken: “Jongens, ik ga interviewen. Ik ben over een uur beneden.” Ik spoor onze middelste aan dan klaar te staan met haar balletspullen, zodat we meteen samen naar de stad kunnen fietsen voor haar les. Aan de andere kant van de lijn is het niet anders: Hilde is uit een vergadering gekomen, rondde een mail af en drukte net op ‘verzenden’, toen haar telefoon ging. En toch, meteen bij Hildes eerste antwoord over stilte in het onderwijs, komen we in een kalm gesprek.

Waar begon jouw zoektocht naar de waarde van stilte in het onderwijs?
“Het is eigenlijk zo’n organisch proces geweest. Ik kwam uit het reguliere onderwijs, waar ik jarenlang met succes en in mijn sas klassen gedraaid had. Op zoek een nieuwe uitdaging kwam ik bij toeval in het jenaplanonderwijs terecht. Na een jaar aanrommelen – want dat was het: hoe werkte dit onderwijs nou precies? Wat moest ik doen? – kreeg ik de kans om met een collega de jenaplanopleiding te doen. Daar kreeg ik een tweeledig gevoel. Als ervaren juf had ik een stevige geldingsdrang en was ik scherp en kritisch. Anderzijds voelde ik me ook weer terug op de pabo: dit was heel anders dan wat ik al die jaren had gedaan in de klas. Na twee bijeenkomsten was ik om. Jenaplan werd een walhalla.”

‘De behoefte aan verinnerlijking klopte bij mij, maar ook bij onze huidige tijd.’


Vanuit die geldingsdrang zijn stilte en het vertragende proces van verinnerlijking niet het eerste waaraan ik denk als onderwerp voor je meesterstuk.
“Niet meteen, hè? Weet je, ik werd nederig toen ik merkte hoeveel ik te winnen had. Ik kreeg mooie feedback over hoe mijn medecursisten mij gezien hadden in die eerste bijeenkomsten: luid. Aanwezig. Druk. Beweeglijk. Dat is waar het begon te sudderen, uit onzekerheid én uit passie. Mijn onderwijsvisie was altijd duidelijk geweest. Met mijn energie en daadkracht kon ik inspireren, maar ik wist ook dat ik me erin kon verliezen. 
Op een gegeven moment kreeg ik een burn-out. Dat had met van alles te maken. Mij viel toen op hoeveel woorden ik altijd gebruik: als ik iets nieuws ga doen, als ik onzeker, gestrest of boos ben, dan rebbel ik. En nu, opeens, viel dat weg. Het hoefde niet meer. Ik wilde het niet meer. Wat er in mijn hoofd gebeurde, kon ik ook in stilte bezien. Ik zat in een afgrond, kon alleen hoog ademen. Ik moest iets met mijn lijf, niet met woorden. 
Zo kwam ik terecht bij ontspanningsoefeningen, meditatie, wandelen, luisteren naar geluiden die ik niet eerder opgemerkt had – ook al omdat ik altijd mezelf hoor. Dat zette me ook aan het denken over mijn rol in het onderwijs: wie ben ik, wat kan ik bijdragen, hoe ervaren kinderen mij? Ik wilde dat die donkere periode een gouden randje zou krijgen. En ik was gaan hechten aan die stilte. Het voelde wezenlijk om daar ook iets van meenemen naar mijn klas, naar wie ik ben op school, naar de gesprekken die ik voerde. Dat lukte, overal, zelfs in de vieringen kwam het steeds meer terug.”

De stilte drong zich aan je op…
“Ja! Toen het afstuderen kwam, zei ik: ‘Ik weet waarover ik het ga doen. Over stilte.’ Dat vond iedereen meteen volstrekt vanzelfsprekend. Grappig, eigenlijk: ik, die zoveel sprak. Mijn school, die het Praathuis heet. En dan komt stilte bovendrijven. Een van mijn docenten, Peter te Riele, had me op het spoor van de stilte gebracht. Hij liet zien dat het een belangrijke pijler onder Petersens Jenaplan was en noemde het ‘een ondergeschoven kind’. Het thema klopte bij mij, maar ook bij onze huidige tijd. Ik denk niet dat ik zonder dat die opleiding en die scriptie zo rijk uit mijn burn-out gekomen zou zijn.”

‘Grappig: ik, de rebbelaar. Mijn school, die het Praathuis heet. En dan komt stilte bovendrijven!”

 

Je noemt de opleiding – en Jenaplan – een walhalla. Waarom?
“Voornamelijk in vergelijkend perspectief: ik liep vast in het reguliere onderwijs. Door de regels, de afspraken, de nonsens – die ik misschien zelf mede creëerde – kwam ik niet toe aan de dingen die ik belangrijk vond. Hoewel mijn eerste jaar bij Jenaplan lastig was, kreeg ik wel snel het gevoel dat ik hier de ruimte en de tijd kon nemen om die dingen wel te doen. Ik voelde een handelingsvrijheid, maar wist nog niet goed hoe die in te vullen en op welke visie ik kon leunen. Wat je dan gaat doen, is je vrijheid weer kaderen: ik ging onderzoeken waar de grenzen liggen en hoe je zinvol vorm kunt geeft aan je vrijheid.”

Ik denk dat je met die zoektocht naar een visie om op te leunen iets beschrijft dat veel mensen die nieuw zijn in het jenaplanonderwijs herkennen.
“Als je een studie volgt, krijg je lesmateriaal, video’s, fragmenten – een verhaal dat de opleiders voor je bepaald hebben. Maar ik wilde ook zelf op onderzoek. En ik dacht heel naïef: dit is een onderwijsconcept, dus ergens staat het kant-en-klaar in een boek. Dat neem ik tot me, en daarna ben ik een gelukkige stamgroepleider in een gelukkige groep met een antwoord op alle vragen. Maar dat is het niet, want het Jenaplan is geen uitgewerkte methode, maar een concept. Je moet er zelf je weg in vinden. Uiteindelijk heeft het me een jaar gekost – zoekend, lezend, kijken op andere jenaplanscholen – voor ik begreep dat de ideale school niet bestaat. Iedereen geeft er een draai aan, en dat pakt soms prachtig, soms wat minder mooi uit.”

En wat is jouw draai, jouw manier van het concept Jenaplan omarmen en belichamen?
“Het staat of valt bij het zijn van een goede stamgroepleider. Niet alleen in het inhoudelijk goed zijn in je vak, maar vooral ook of je de kinderen ziet. Wat ze nodig hebben en wie ze zijn. Je trekt met elkaar op als groep en viert intussen ook het verschil, het unieke in elk kind. Je moet kunnen spelen met de afwisseling in de dag. Je moet kinderen leren verantwoordelijkheden te dragen, als jongste, middelste en oudste. Al die dingen pasten in mijn kijk op leren en leven. Ik voelde een goedkeuring voor hoe ik mijn onderwijs vorm wilde geven.”

Dat lijkt me inderdaad een bevrijdende constatering: als jouw persoonlijke en professionele blik op onderwijs wordt onderschreven.
“Echt! Ik dacht weleens op een eerdere school, wanneer er een inspecteur bij mij binnen kwam: ‘Hilde, je práát te veel. Je doet te veel spelletjes. En waarom wil je nou weer naar buiten met je kinderen?’ Tijdens de jenaplanopleiding was het of iemand zei ‘Zo mag je het doen’, en sterker nog: er was al een eeuw praktijkervaring, theorie en onderzoek om het te onderbouwen.”

‘Petersen schrijft hoe de schooldag van gezwets en nonsens aan elkaar kan hangen.’


Terug naar je meesterstukthema ‘stilte’. Wat ontdekte je daarover?
“Petersen schrijft hoe de schooldag van gezwets en nonsens aan elkaar kan hangen. En hij roept zijn lezer op naar de stilte te kijken. Ik herkende dat bij mezelf. ‘O, ik doe dat ook – iets te lang doorgaan in een spel, toch nog een grapje, een lange discussie. Wanneer geef ik de stilte vrij baan? Wanneer is er de tijd en ruimte om tot bezinning te komen, om na te denken, te verwerken?’ Ik gunde het mezelf en mijn kinderen.”

En toen? Hoe ga je van ‘gunnen’ naar daadwerkelijk ‘geven’?
“Stilte heb je in de groep wel tijdens het stillezen of bij een zachte instructie. Maar dat is geen echte stilte. Dat is het ontbreken van geluid – dat is niet hetzelfde. Ik heb mijn kinderen eerst laten ervaren wat stilte is. Ik heb geprobeerd het verlangen ernaar te wekken. Om echt stil te zijn, om echt naar elkaar te kijken en te zien wat die ander nodig heeft. Ook een moment van stilte in de transitie van de ene activiteit naar de andere geeft vertraging, geeft ritme en lucht aan de dag. Dat voelt heel anders dan de gewoonlijke onderwijsneiging om te zeggen: ‘Oké, rekenboeken weg. We gaan verder met taal’. Of denk aan een moment waarop iemand je iets naars vertelt. Dan voelt het logisch om meteen te reageren. Maar een stilte laten vallen – even tot je nemen, even laten gebeuren – kan ook. Dat is voor veel leraren best spannend.”

Mooi: stilte is meer dan het ontbreken van geluid.
“Petersen schrijft niet voor niets over stilte, contemplatie, bezinning, filosoferen als 'innerlijke grondvorm', denk ik. Het begon mij steeds beter te passen om die wat vergeten pijler meer aandacht te geven. Vaak denken we bij stilte bijna standaard: stillezen of meditatieoefening. Voor mij ging het over iets anders: over bewustwording.”

Je hebt een behoorlijk afwijkende vorm gekozen voor je meesterstuk. Hoe ontstond dat?
“Peter te Riele en Anite van Oijen spoorden ons aan om een verwerkingsvorm te kiezen die ons het meest zou brengen. Toen ik hoorde dat het geen droge scriptie hoefde te worden, wist ik meteen dat ik verhalend zou gaan schrijven. Ik schrijf graag en vertel ook graag verhalen in de klas. De eerste anekdotes stonden heel snel op papier. Toen zag ik dat het een verhalenbundel zou gaan worden. Of het zou voldoen aan de voorwaarden van de beoordelingscommissie wist ik niet zeker, maar dat kon me niet meer schelen. Mijn doel was om me te verantwoorden naar mezelf: waar kom ik vandaan, waarom doe ik het zoals ik het doe, waarom geloof ik hierin?”

Als het zo persoonlijk is, hoe wil je dan dat anderen je boek lezen?
“Stilte is de rode draad, maar het is vooral een inspiratiebundel. Ik hoop dat lezers voelen: zo kan het ook. Zo bereik je veel met kinderen. Ik hoop dat ik er nieuwe, jonge stamgroepleiders mee kan helpen – mensen die nog op zoek zijn naar welke leerkracht ze willen zijn. Ik heb ooit een boek gelezen toen ik 14 was, over hoe een moeder omging met haar dochter. Toen dacht ik: als ik ooit een dochter krijg, wil ik zo’n moeder zijn. Niet dat ik met dit boekje de ‘voorbeeldjuf’ wil uithangen. Ik ben heus niet elke dag de empathie zelve. Ik ben ook wel eens helemaal niet tactvol. Bij mij loopt het ook soms in het honderd. Maar misschien denk je: deze juf, deze manier van in de groep staan, inspireert me. Zoiets wil ik ook, maar dan op mijn manier!

Mooi aan Hildes boek is dat in veertien hoofdstukken – veertien schooldagen – telkens de ervaring van één persoon centraal staat. Helemaal beschreven vanuit de blik van twaalf kinderen, stamgroepleider Sigrid en schoolleider Ralph. Zo ervaar je als lezer de behoeftes, de wensen, de preoccupaties van elk lid van de stamgroep. Het ene kind heeft rust nodig, omdat hij net weet dat zijn ouders gaan scheiden. In een tweede kind schuilt een dichter. Weer een ander staat in de slagschaduw van een grote broer en zus, die gemakkelijk vwo-advies kregen. Een vierde wil niet langer de leider van de ‘bad boys’ zijn. Niet alleen komen zo de stamgroep en een grote verscheidenheid aan kinderen in die groep tot leven, maar ook ontstaan er vele invalshoeken op de wenselijkheid van momenten van verstilling in het schoolleven.

Ieder verhaal laat zo fraai een aspect oplichten van stilte, dat ik me afvroeg of je het daadwerkelijk zo meegemaakt hebt.
“Er schuilt wel wat dichterlijke vrijheid in mijn manier van schrijven, maar alle verhalen zijn echt gebeurd. Niet alleen op het Praathuis – de ‘Waterplas’ in mijn bundel – maar ook op andere scholen. Soms, om het verloop van een verhaal te versnellen of om het een extra dimensie te geven, heb ik de ervaringen van twee kinderen versmolten tot één verhaal, één persoon.” 

Hier en daar schijnt er vaagjes iets door de verhalen dat in een traditioneler eindwerkstuk een paragraaf met een afgebakend subthema zou zijn geweest.
“Klopt. In eerste instantie wilde ik dat er uit ieder verhaal, vanuit de ervaring en de behoeftes van het beschreven kind, lessuggesties zouden ontstaan. Dat lukte natuurlijk niet, omdat mensen en onherhaalbare interacties – al zijn ze deels ‘verdicht’ – geen blauwdruk zijn. Wat zo’n anekdote wél kan bewerkstelligen is een Aha-moment. Herkenning. Ik hoop dat je er als lezer een kleine sprankeling of een ervaring van hoop uit put. Een gedeeld gevoel over hoe mooi onderwijs is, hoe gaaf opgroeiende kinderen zijn.”

Is dat wat je het meest mee wil geven?
“Mijn gedrukte boekje bestaat uit de verhalen. In de versie die ik als meesterstuk heb ingeleverd, staat ook een inleiding en een theoretische verantwoording. Daarin citeer ik Korthagen en Evelein, die schrijven dat ‘intern contact een voorwaarde is voor extern contact’ [geciteerd in het NIVOZ-boek ‘Pedagogische Tact’, p.53]. Ze hebben het dan over het onbevangen kunnen waarnemen van de omgeving, de groep, de kinderen – een manier van kijken, zoals een tactvol leraar dat doet. Wil je een dergelijke onbevangenheid ontwikkelen, dan is het nodig dat je jezelf kent – je eigen denken, je eigen voelen. Goede, empathische relaties met je stamgroep kun je alleen hebben, als je niet wegloopt voor jezelf. Als je jezelf ook echt aan durft te kijken en als je jezelf heel diep durft te voelen.”

Heb je een favoriet verhaal in je bundel?
“Heel mooi vind ik het verhaal van Hayet, die doodnerveus is om een kring over haar hobby te houden. Juf Sigrid heeft dat door en vraagt Hayet tijdens de pauze wat ze allemaal in die geheimzinnige plastic tas heeft zitten. Eén voor één haalt het meisje haar halfedelstenen tevoorschijn en geeft uitleg over de geologische oorsprong van de stenen en hoe zij eraan komt. Ze is zo geconcentreerd dat ze niet doorheeft dat haar hele klas muisstil om haar tafelgroepje is komen staan. En zo heeft Hayet haar kring zonder zenuwen en in opperste aandacht van de hele groep gehouden. Het is precies zo gebeurd, en is daarmee het kortste en ook een van mooiste verhalen.”*

Zou jij het schrijven over de ervaringen in je stamgroep aanraden?
“Ja. Nu ben ik iemand die als kind al veel schreef, maar ik denk dat schrijven voor iedereen een goed reflectiemiddel is. Je kunt ook mondeling reflecteren, maar het gesproken woord vervliegt zo snel. Op schrift blijft het stilstaan en kun je erop terugkijken en er steeds nieuwe dingen uithalen. Voor de kinderen in mijn klas schrijf ik ook uitgebreide onderwijskundige rapporten, vol met wat ik vind, zie en wat ik het kind gun. En wat de aanstaande vo-school er voor een mooi kind bij krijgt.”** 

* Een andere favoriet van zowel Hilde als de redactie is het verhaal van Bas, een jongen die zich misdraagt bij een invaller. Lees het verhaal 'Bad Boy Bas' hier.

** Na een uitstapje naar een reguliere groep 8, is Hilde inmiddels teruggekeerd op het vertrouwde Jenaplannest. Ze werkt als opleider bij HetKan.

De warm aanbevolen verhalenbundel ‘En ik zag dat ze stilte nodig hadden’ is uitgegeven in eigen beheer en kun je voor € 12,50 bestellen bij Hilde, via info@sterkvoordeklas.nl.

0 reacties

Reageer op dit artikel

Direct contact met de redactie?

Geert Bors, hoofdredacteur Mensenkinderen: mensenkinderen@njpv.nl